MilieuGroep Voeren Actueel NR.37 - januari 2000 Secretariaat: Maurice Heusèrr een uniek natuurgebied Landschap en historie Het noordoostelijk deel van België, een landschappelijk prachtig golvend weidegebied, ten noordoosten van de Ardennen gelegen tegen de Nederlandse en Duitse grens, is bij velen bekend om zijn hellingbossen, oude kalksteen(dagbouw)groeven, snelstromende beken, waterpoelen en zijn vele meidoornhagen. Een landschap waar de boerderijen van natuursteen, kruisbeelden en kapelletjes, de oude kastelen (de hoogteburcht Emmaburg/Eyneburg; oudste vermelding: 1280), maar ook de verlaten mijngroeven de stille getuigen zijn van een rijke historie. In dit bijzonder fraai, kleinschalig landschap in het uiterste noorden van de provincie Luik ontvangt de Geul, ten zuiden van de plaatsen Moresnet, Kelmis (La Calamine), Neu-Moresnet en Hergenrath, de beek genaamd Hohn. Deze zijbeek van de Geul, veelal aangeduid met allerlei namen zoals Hornbach, Grotbach en Lontzenerbach, vormt een opvallende verschijning, niet in de laatste plaats vanwege haar lengte en vrijwel natuurlijke loop, die grotendeels stroomt door dit fraaie landschap.
|
Geologisch bezien behoort het dal van de Hohn tot het Massief van de Vesdre, een gebied dat gekenmerkt wordt door intensieve plooiingen en scheuren. Geologische breuken hebben de indringing van aders toegestaan die tegenwoordig aan de oppervlakte te voorschijn komen als metaalhoudende bodems. Deze bodems bevatten de metaalertsen galeniet (loodglans, zwavellood), zinkblende, kalamijn (zinkspaat, galmei, zinkerts) en pyriet (zwavelijzer, ijzererts). Hun aanwezigheid is sinds zeer lange tijd bekend en heeft de vestiging van een zeer oude metaalindustrie met zich meegebracht. Vermoedelijk werd hier al in de Romeinse tijd zink en lood gedolven.
In 1950 kwam er definitief een einde aan de intensieve delfstofwinning in deze regio. Als stille getuigen vinden we hier tegenwoordig naast enkele industriële gebouwen (thans grotendeels tot ruïnes vervallen) in de omgeving nog verspreid liggende plaatsen met afval van de delvings- en metaalindustrie. In het dal van de Hohn vinden we daarvan ook iets terug, nl. een afvaldepot voor een mijnuitgang (de Oskarstollen) van de groeve Schmalgraf (1862-1932) en vanaf hier, evenwijdig aan de Hohn en de helling, een voormalige spoorbaanbedding richting Kelmis. Plaatsen als La Calamine (Kelmis) en Plombières danken hun naam zelfs aan die industrie ("calamine" = kalamijn (galmei of zinkerts); "plomb" = lood).
De benedenloop van de Hohn (Duits: "Hohnbach"), die hier de grens vormt tussen de gemeenten Hergenrath en Neu-Moresnet, voert door een zeer reliëfrijk (steile hellingen met hoogteverschillen tot 60 m), pittoresk bosgebied dat gekenmerkt wordt door een bijzondere verscheidenheid aan levensgemeenschappen en daardoor een uitzonderlijk grote rijkdom aan flora en fauna herbergt.
De eerste en tevens oudste botanische vermeldingen van dit gebied in de literatuur dateren al uit de vorige eeuw (J. Müller in 1836; J.H. Kaltenbach in 1845 en 1850; Foerster in 1878). Dit bij de Zuidlimburgse botanici welbekende bosgebied van Neu-Moresnet (La Calamine) is ook als belangrijk excursiegebied voor (Noord) Nederlandse botanici en studenten in zwang geraakt. Reeds in het begin van deze eeuw werd vanuit Nederland de aandacht op dit unieke natuurgebied gevestigd. Niemand minder dan de onderwijzer Eli Heimans (1861-1914), een van Nederlands meest vooraanstaande natuurbeschermers van het eerste uur en - samen met Jac. P. Thijsse - dé grote man achter de opbloei van de natuurstudie en bovenal natuurbeleving in Nederland rond de vorige eeuwwisseling, publiceerde in 1914 in het mede door hem opgerichte (en nog steeds bestaande) "tijdschrift voor natuursport" De Levende Natuur een drietal artikelen over dit gebied ("De herkomst van de Geulflora"): "Het is een prachtig begroeid geheel wild en verwaarloosd bosch, zoo eentje, om er uren lang in te botaniseeren; al wat er met Paschen bloeien kan op een goeden kalkrijken humus-bodem, was daar te vinden (...) Daar heb ik een heelen morgen gesmuld, gelukkig zonder vrees voor den intendant en zijn boschwachters." De resterende min of meer natuurlijke bosvegetatie in het dal van de Hohn kan een oud bos worden genoemd, d.w.z. een bos dat vanaf de oudste betrouwbare en gedetailleerde kaarten (voor België is dit de zgn. "Ferraris-kaart" van rond 1775) continu als zodanig staat aangeduid.
Hoewel de "vooruitgang" ook het dal van de Hohn helaas niet ongemoeid heeft gelaten, getuige de aanplant van naaldbomen op diverse plaatsen, heeft de planten- en dierenwereld hier nog een hoge mate van oorspronkelijkheid kunnen behouden. Met name het langdurige, gelijkmatige (periodieke) en extensieve gebruik c.q. beheer in het verleden (hakhoutbeheer en hoogstwaarschijnlijk ook bosbeweiding) heeft er mede toe geleid dat de hier aanwezige vegetatie zich relatief ongestoord heeft kunnen handhaven en ontwikkelen.
Flora en vegetatie
De overblijfselen van een oude spoorlijn, die vroeger vanaf " Oskarstollen", een zinkmijn in het zuiden van het gebied, naar Kelmis liep, is nu als wandelpad in gebruik. Deze noord-zuid lopende oude spoorbaanbedding vormt het belangrijkste pad door het gebied. De langs de randen van dit pad aanwezige zinkflora getuigt nog van het vervoer en het gebruik van het zinkhoudende gesteente.
De bijzonderheid van het gebied komt met name tot uitdrukking in de veelheid aan plantengemeenschappen die het dal, de dalhellingen en het plateau herbergen. Het belangrijkste deel daarvan wordt gevormd door loofbossen. De in het algemeen vrij steile hellingen van het dal zijn begroeid met een fraai eiken-haagbeukenbos dat in het (vroege) voorjaar gekenmerkt wordt door een zeer soortenrijke en kleurrijke kruidlaag: de karakteristieke voorjaarsflora van de zomergroene droge loofbossen van West- en Midden-Europa.
Door het laagste deel van het beboste dal, iets dieper gelegen dan het pad, slingert zich de Hohn. De schitterend begroeide oevers langs de beek herbergen allerlei niet alledaagse soorten. Daar waar de steile hellingen direkt langs de Hohn geraken, zijn plaatselijk kleine bronnetjes aan te treffen met een bijzondere flora. De westzijde van de beek wordt in het noordelijk deel van het gebied gekenmerkt door een fraai ontwikkeld, drassig elzenbroekbos. Iets zuidelijker bevindt zich ten westen van de beek een vlakke, relatief brede dalbodem. Een groot deel hiervan wordt ingenomen door verlaten (niet meer in gebruik zijnde) weiland en hooiland, waarin de natte, drassige gedeelten de meest interessante begroeiing kennen.
Aan het einde van de oude spoorbaanbedding in het zuiden van het gebied, nabij de overblijfselen van een oude mijnuitgang (gelegen onderaan een steile helling aan de overzijde van de Hohn), treffen we de zgn. "zinkweide" aan. Dit is een met zinkhoudend gesteente (afval van de mijnindustrie) opgevulde depressie in het terrein. Hier treffen we dan ook een speciaal daaraan aangepaste begroeiing aan, de zinkvegetatie, met enkele karakteristieke en zeer zeldzame plantesoorten.
In het uiterste zuiden van het gebied heeft de Hohn, die komende vanuit het zuidoosten zich hier naar het noordoosten wendt, zich relatief diep ingesneden in het hier dagzomende (kalk)gesteente waardoor een natuurlijke steile rotswand is ontstaan met bovenop de kop enkele zeldzame plantensoorten die binnen het gebied uitsluitend daar voorkomen.
Aan de voet van deze steile helling, daar waar het bos aan het weiland grenst, treffen we een fraai ontwikkelde bosrandvegetatie aan die enkele typische mantel- en zoomplanten bevat.
Het hoog gelegen plateau wordt grotendeels ingenomen door een naar verhouding jong bos (o.a. eiken-berkenbos) waarvan de kruidlaag in het voorjaar enkele bij zondere plantensoorten in grote aantallen herbergt.
Tenslotte kunnen op plaatsen waar het loofbos recent (dat wil zeggen enkele jaren geleden) gekapt werd, interessante, voornamelijk uit kruiden bestaande kapvlakte gemeenschappen worden aangetroffen met een kenmerkende flora. De successie van deze kapvlakten tot het oorspronkelijke loofbos zal hier echter helaas niet kunnen plaatsvinden daar het opschietende, hier niet thuishorende aangeplante naaldhout uiteindelijk zijn invloed zal doen gelden. De steeds terugkerende verandering in begroeiing zorgt telkens weer voor een blijvend boeiende wandeling en de verscheidenheid in vegetatietypen levert elk seizoen weer nieuwe botanische verassingen op.
Naarmate men het dal van de Hohn beter leert kennen, raakt men steeds meer onder de indruk van dit bosgebied met zijn uitzonderlijk rijke flora. Een groot aantal van de hier aanwezige plantensoorten is niet algemeen verspreid in dit deel van België en de aangrenzende delen van Nederland en Duitsland of is zelfs zeldzaam in geheel België en Nederland.
Het dal van de Hohn, dat als eenheid gekenmerkt wordt door een zo grote rijkdom, moet zowel in wetenschappelijk als landschappelijk opzicht gerekend worden tot een van de belangrijkste natuurgebieden in Noordoost-België en de aangrenzende delen van Nederland en Duitsland. Dit prachtige en rijke terrein, waar op een relatief kleine oppervlakte (ca. 52 ha) een zo grote diversiteit aan plantesoorten aangetroffen kan worden, waaronder vele minder algemene en zeldzame soorten, stelt alle Zuidlimburgse bosreservaten in de schaduw.
Bedreiging en bescherming
De direkte bedreiging van het gebied is niet zozeer gelegen in een mogelijke afgraving (het gebied is eigendom van de "Kalkwerke A.G." te Keulen), maar in de daadwerkelijke geleidelijke omzetting van loofhout in naaldhout (het zgn. "omvormen van een bos": het volledig kappen van het bos en daarna inplanten met naaldbomen), waardoor het dal zijn karakter en zijn waarde dreigde te verliezen. Deze sinds het begin van de jaren tachtig aanwezige bedreiging is enkele jaren geleden gelukkig (definitief ?) stopgezet. Een deel van dit natuurgebied bezit thans, als gevolg van een Koninklijk Besluit sinds 30 december 1983 (Belgie), een officiële beschermde status als "geklasseerd landschap".
Bart Graatsma (terug naar de rubriekenlijst)
In september 1999 stierf te Maastricht op 43-jarige leeftijd Bart Graatsma. Hij was een overtuigd en bezield natuurbeschermer en jarenlang lid van de MilieuGroep Voeren.
Tevens was hij hoofdredakteur van het maandblad van het Natuurhistorisch Genootschap te Maastricht. Begin jaren '90 gaf hij twee lezingen voor onze leden in herberg de Swaen in 's-Gravenvoeren. Eén over muurplanten en één over het dal van de Hohn.
Bart, we danken je voor je inzet voor het behoud van de natuur en moge je rusten in vrede.
Fred de Warrimont (terug naar de rubriekenlijst)
mierenbeten verlichten rugpijn
De Telegraaf meldde onlangs dat de Noor Helge Hagenes zich tegen zijn chronische rugpijn door mieren laat bijten. Volgens de Noorse krant Aftenposten brengt de Scandinaviër sinds zeven jaar een kwartiertje per dag op een mierenhoop achter zijn huis door. De krant meldt dat de vijftien minuten durende vibratie van de vele mierenbeten de rugpijn enkele uren verlichten. De man, die op het eiland Sotra dichtbij Bergen woont, werd door een boek over het leven van een Zweedse houthakker op dit 'recept' gewezen. Hij bestrijdt dat de rugpijn door de steken van de mierenbeten wordt overschaduwd. Wel waarschuwt hij voor 'voelbare belasting van het lichaam' door het zitten op de mierenhopen. Om de mieren van bepaalde lichaamsdelen te weren, beschermt de Noor zichzelf met een badmuts, een duikbril en een strak om het lijf zittende zwembroek. (terug naar de rubriekenlijst)
"Heb je ijzertekort of bloedarmoede, dan moet je meer appelstroop eten." Dit goedbedoelde advies van oma is achterhaald. De theorie stamt van vóór 1930, toen appelstroop nog in gietijzeren ketels werd gekookt. Tegenwoordig gebeurt het koken van appelstroop in roestvrijstalen ketels. Van appelstroop die wel ijzerrijk is, moet veel gegeten worden. Een boterham levert meer ijzer dan het dunne laagje stroop dat erop zit.
uit Marketing Results dec 1999 (terug naar de rubriekenlijst)
de nieuwe hype: Bloedgroepdieet
Volgens de Amerikaanse arts dr. P. D'Adamo is de bloedgroep van iemand bepalend voor het dieet dat hij of zij nodig heeft. Door een dieet te nuttigen dat aansluit bij het bloed, zou de weerstand van het lichaam gestimuleerd worden. De bloedgroep zou ook van invloed zijn op de vertering. Dit heeft te maken met de verschillende antigenen en antilichamen die bij de verschillende bloedgroepen (O, A, B en AB) in het bloed zitten.
Het dieetboek Eat Right For Your Type, kortweg ER4YT, geeft voor elke bloedgroep richtlijnen voor de voeding die gegeten mag worden. Zo kan iemand met bloedgroep A beter geen rood vlees eten, terwijl iemand met bloedgroep O rustig vijf tot zes maal per week een stukje vlees mag. Melk past niet in het dieet van bloedgroep O, maar past wel goed bij bloedgroep AB en B. Binnen orthomoleculaire kringen wordt hier en daar al met dit dieet gewerkt. (terug naar de rubriekenlijst)
kunstnagels broedplaats bacteriën
Micro-organismen hebbeb het uitstekend naar hun zin op kunstnagels, hebben wetenschappers van de University of Michigan ontdekt. Onderzoeker Shelly McNeil en haar collega's hebben volgens de Duitse krant Welt am Sonntag ontdekt dat bacteriën en schimmels niet alleen onder, maar ook op kunstnagels zitten en dat ze zelfs met een grondige poetsbeurt niet weg te krijgen zijn. Voor het onderzoek werden de kunstnagels van verpleegsters onderzocht. Na een grondige wasbeurt van de handen met de in het ziekenhuis gebruikelijke desinfectie bleken op de kunstnagels nog tweemaal zoveel ziekteverwekkers te zitten als op natuurlijke nagels. (terug naar de rubriekenlijst)
bestrijdingsmiddel in vers groente en fruit
Greenpeace onderzocht de hoeveelheid bestrijdingsmiddelen op aardbeien, peren en wortelen, alle drie producten die ouders vaak aan hun baby's geven. Om te voorkomen dat jonge kinderen bloot gesteld worden aan bestrijdingsmiddelen, stelt de Europese Unie een maximum van 0,01 mg bestrijdingsmiddel per kilo voedsel als grens. Babyvoeding in potjes voldoet aan deze norm.
In de aardbeien, wortelen en peren die Greenpeace kocht en liet onderzoeken, werd in een aantal gevallen meer dan deze 0,01 mg bestrijdingsmiddel per kilo voedsel aangetroffen. Wie zijn kind verse groente en fruit te eten wil geven, doet er goed aan te kiezen voor biologische producten, die geen bestrijdingsmiddelen bevatten.
uit Nutricia Life Magazine nr. 5, 1999 (terug naar de rubriekenlijst)
De plannen verkeren nog in een uiterst pril stadium, maar zijn voldoende concreet om er serieus melding van te maken. Er is een initiatief gestart voor het plaatsen van windmolens op een van de hoogten van de Voerstreek. Meer bepaald de hoogte van Snauwenberg, die uitziet op het natuurgebied Altenbroek van Natuurreservaten.
De windmolens zouden moeten voorzien in de elektriciteitsbehoefte van de bewoners van een grote boerenhoeve die zo een bepaalde onafhankelijkheid willen garanderen in de soms onzekere stroomvoorziening.
Inmiddels is de MilieuGroep Voeren gepolst over de geldende mening binnen de Voerense groenbeweging. Vanzelfsprekend is de afweging hieromtrent niet gemakkelijk. Enerzijds verdient alternatieve energie alle lof, anderzijds krijg je meteen te maken met mogelijke optische horizonvervuiling: het landschap krijgt een behoorlijke stoorzender in zijn midden.
Hoe dat er in werkelijkheid uitziet kun je zelf heel gemakkelijk aanschouwen: Pak je auto en rij naar Bocholtz bij Heerlen. Daar staan er al twee. Nog meer staan er in Duitsland. Niet ver van hier, langs de autoweg richting Trier, zie je er werkelijk tientallen in vol ornaat. Het is echt een prachtig schouwspel om te zien. Vaak staan ze gebroederlijk met drie of vier bijeen en zuigen ze de krachtige energie uit de wind. Ook kun je ze zien in Hasselt achter de Grenslandhallen. Daar staan er ook al een stuk of drie. Het verschil is echter wel dat ze daar binnenstedelijk gebied staan.
Als je windmolens in groengebied eenmaal hebt gezien geloof ik dat je eventuele tegenwerpingen wel kunt laten vallen. Het voordeel weegt echt op tegen maar een miniem nadeel. Het heuvelachtige terrein van de Voerstreek leent zich bij uitstek voor windmolens. Bovenaan een heuveltop voel je vaak een zeer krachtige wind, deels veroorzaakt door de vorm van het landschap. Het plotselinge omhoog gaan van het land dwingt en stuwt de wind in de hoogte en versterkt zijn kracht.
Ik hoop dan ook dat de MilieuGroep Voeren enthousiast is over het voorgenomen plan en wens de investeerder en uitvoerder veel succes in de realisatie van dit milieuvriendelijke plan!
Jos Buysen. (terug naar de rubriekenlijst)
Limburgse herpetologische atlas
Onder impuls van het Provinciebestuur maar vooral door de inzet van vele tientallen vriiwilligers van de Herpetologische Werkgroep van de Limburgse Koepel voor Natuurstudie (LIKONA) werd de verspreidingsatlas "Amfibieën en Reptielen In Limburg" een feit. In de atlas wordt een overzicht gegeven van de aanwezighoid van amfibieën en reptielen in de provincie Limburg in de periode 1975-1998. Het is een aanrader voor iedereen die in Vlaanderen of Nederland begaan is met de herpetofauna of met de natuur in het algemeen.
Sinds 1970, het Europees Natuurbeschermingsjaar, is de interesse voor de natuur fors toegenomen. Ondanks deze toenemende interesse en de oprichting van een toenemend aantal natuurreservaten, wordt een steeds groter aantal soorten (planten en dieren) zeldzaam in Vlaanderen. Enkelen zijn reeds uitgestorven. De laatste decennia wordt eveneens een achteruitgang vastgesteld van de amfibieen en reptielen. Deze dieren zijn belangrijke milieu-indicatoren. Ze geven extra informatie over de kwaliteit van onze leefomgeving. Vermits ze op een relatief kleine oppervlakte leven en meestal aan de top van een voedselketen staan, kunnen kleine ingrepen een grote invloed hebben op het voortbestaan van soorten en van de totale levensgemeenschap.
Het onderzoek naar het voorkomen en de verspreiding van amfibieën en reptielen kende de laatste tientallen jaren in Vlaanderen een sterke vooruitgang. In 1996 werd de eerste Vlaamse Verspreidingsatlas (Bauwens, D. en Claus, K.) gepubliceerd. Dit basiswerk geeft een overzicht van de verspreiding van amfibieën en reptielen in Vlaanderen op uurhokschaal (4 km x 4 km). De Limburgse verspreidingsatlas, die in Bokrijk voorgesteld werd, kan beschouwd worden als een provinciale verfijning van de Vlaamse atlas (gebruikte schaalniveau 1 km x 1 km).
De atlas "Amfibieën en reptielen in Limburg: verspreiding, bescherming en herkenning" geeft een overzicht van de aanwezigheid van deze dieren in de periode 1975-1998 in de provincie Limburg. Naast algemene informatie bevat het boek een beschrijving van elke soort, zijn biotoop en levenswijze. Uit de gegevens blijkt dat Limburg erg belangrijk is voor het huidige en toekomstige voorkomen van inheemse amfibieën en reptielen in Vlaanderen.
Voor sommige soorten zoals de boomkikker, de knoflookpad en de vroedmeesterpad, zal de Limburgse situatie bepalend zijn voor hun overleven in Vlaanderen. Gedeputeerde Johan De Turck, bevoegd voor milieu en natuur in Limburg, onderstreepte dat de publicatie een belangrijk document is voor het natuurbehoud in de provincie. Niet alleen op provinciaal niveau, maar zeker ook op Vlaams en gemeentelijk niveau, zijn de gepresenteerde gegevens van groot belang. Ze schetsen een duidelijk beeld van de meest kwetsbare gebieden. De gegevens kunnen gemakkelijk geïntegreerd worden bij het opstellen van provinciale en gemeentelijke beleidsplannen. Gedeputeerde De Turck voegde er nog aan toe dat de provincie Limburg op dit vlak opnieuw een pioniersrol vervult; geen andere provincie beschikt over zo'n gedetailleerde gegevens.
De eindredactie berustte bij Ignace Schops, voorzitter van de Herpetologische Werkgroep van LIKONA. Hij lichtte de resultaten en conclusies zelf toe. Tijdens de onderzoeksperiode werden 7547 waarnemingen verzameld in 886 verschillende kilometerhokken. Hierbij werden 18 soorten inheemse amfibieën en reptielen waargenomen. In vergelijking met Vlaanderen is de adder en de ringslang afwezig in Limburg. De aan- en afwezigheid van soorten werd voor de periode voor 1990 en vanaf 1990 op kilometerhok- en uurhokniveau met elkaar vergeleken. Een vergelijking op uurhokniveau was mogelijk omdat 132 uurhokken, van de in totaal 198 uurhokken die geheel of gedeeltelijk in Limburg gelegen zijn, in beide periodes onderzocht zijn.
Voor 12 soorten neemt het verspreidingsgebied op uurhokniveau af. De afname bedraagt tussen de 40% en 20% voor de gladde slang, de levendbarende hagedis en de vroedmeesterpad. Voor de rugstreeppad, de heikikker, de knoflookpad en de boomkikker bedraagt deze afname zelfs meer dan 40%. De geelbuikvuurpad en de vuursalamander worden als uitgestorven beschouwd. Opvallend hierbij is dat het vooral soorten betreft die aan heide gebonden zijn. Mogelijk zijn de verzuring van de voortplantingswateren en de verbossing van de resterende heidebiotopen hiervan de oorzaken.
Dat Limburg ontzettend belangrijk is voor de instandhouding van amfibieën en reptielen in Vlaanderen blijkt uit het feit dat in 38% van de uurhokken "Rode Lijst-soorten" voorkomen, en dat 54% waardevolle en bijzonder waardevolle hokken zich situeren in Limburg.
De atlas werd uitgegeven in een handig formaat (A5) en telt ruim 200 blz. De vormgeving werd verzorgd door de dienst Grafische Producties van het provinciebestuur. Bijna alle soorten worden geïllustreerd aan de hand van foto's van de eitjes, larven en volwassen dieren, zodanig dat de atlas ook als determinatiewerk gebruikt kan worden. De verspreidingsatlas kan besteld worden door 495 BEF of 12,27 EUR (exclusief 100 BEF (2,48 EUR) verzendingskosten) over te schrijven op rekeningnummer 000-0400447-31 van het Provinciaal Natuurcentrum, Ontvangsten, Domein Bokrijk, 3600 Genk met de vermelding Herpetologische atlas.
Voor bijkomende inlichtingen: LlKONA-secretariaat
Luc Crevecoeur
Het Groene Huis
Domein Bokrijk
3600 GENK
Tel.011/265462 fax 011/265455
e-mail: likona@limburg.be
Internet: http://www.limburg.be/likona/
(terug naar de rubriekenlijst)
verzegeld Vlaanderen vergeet de spons
In de krant "De Standaard" van 14 december 1999 was een interview opgenomen met Martin Hermy, hoogleraar aan de Leuvense faculteit landbouwkundige en toegepaste biologische wetenschappen en mede-auteur van het boek "Punten en lijnen in het landschap". We nemen eruit over wat volgt.
De totaal verharde bodem (gebouwen, wegen enz.) neemt een enorme oppervlakte in en dat noemt Hermy de verzegeling van het landschap. Dat veroorzaakt overstromingen. We zijn vergeten hoe een spons werkt! Het water moet zo lang mogelijk ter plaatse vastgehouden worden. Op het platteland kan hieraan verholpen worden door grachtensystemen en gescheiden rioleringen (één voor afvalwater en één voor regenwater). Voor de steden denkt hij aan de aanleg van regenputten en vooral van groendaken. Je beplant het dak met struiken en planten die de helft van de neerslag opslorpen. In Duitsland worden per jaar duizend hectaren aan groendaken aangelegd. De kostprijs ligt wel een stuk hoger dan voor een gewoon dak maar je betaalt dan ook minder belastingen omdat je minder neerslag laat afvloeien.
Verdere berichten uit verschillende tijdschriften:
In het Medewerkersblad van Natuurreservaten (juli 1999) stond een mededeling in verband met het Europees landbouwbeleid. Met "Agenda 2000" wil Europa de directe inkomenssteun voor landbouwers koppelen aan milieuvoorwaarden. Voorlopers zouden worden beloond en achterblijvers bestraft. Maar de invulling van deze voorschriften wordt wel volledig aan de lidstaten overgelaten! Wat zal daarvan terecht komen?
In hetzelfde tijdschrift een artikel rond bermbeheer. Twee ideeën: Grasproductie neemt na de uitwerking van het sproeimiddel nog toe en de bespuiting van begroeide bermen werkt erosie in de hand.
Greenpeace bericht in zijn zomernummer over de verbrandingsoven in Herstal waar ons Voerens huisvuil naartoe gaat. In Luik is het gescheiden ophalen van huisvuil zo'n succes dat de oven niet genoeg meer kan werken naar de zin van zijn uitbaters. Daarom denkt men eraan een droogoven te bouwen om organisch afval te kunnen verbranden. Greenpeace verwittigt dat hierbij grote hoeveelheden dioxines zullen vrijkomen. Een reden te meer om te composteren!
Het juli-nummer van het Natuurhistorisch Tijdschrift tenslotte is gewijd aan natuurontwikkeling langs Limburgse beken. Een belangrijke bron van informatie voor al wie op enig gebied bij beekbeheer betrokken is.
Ingestuurd door Elza Vandenabeele (terug naar de rubriekenlijst)
onze voorloper: man van Atapuerca
De oer-Europeaan die meer dan 300.000 jaar geleden op ons continent leefde was een geducht concurrent van roofdieren in zijn omgeving. Hij had een reusachtig bekken en het fysiek van een bokskampioen: Meer dan honderd kilo aan pure spiermassa bij een lengte van 1,80 meter.
Dat is de conclusie die een groep Spaanse wetenschappers trekt uit het bottenmateriaal dat is verzameld bij Atapuerca in Noord-Spanje. Een enorm bekken is het pronkstuk van de vondst, het bewijs dat deze voorloper van zo wel de mens als de Neanderthaler veel groter was dan tot dusver werd aangenomen, aldus de Spaanse wetenschappers in het Britse wetenschapstijdscbrift Nature.
Ze betogen dat de ontwikkelingstheorie van de Homo Sapiens bijgeschaafd moet worden. Tot dusver werd aangenomen dat de zwaargebouwde Neanderthaler een extreme evolutionaire aanpassing was ten opzichte van kleimere voorgangers. De gemeenschappelijke voorouder van mens en Neanderthaler was blijkbaar eveneens van grote omvang en is het de Homo sapiens die zich in sterkere mate heeft doorontwikkeld. Daarbij zou zeker een derde van de lichaamsomvang en -sterkte verloren zijn gegaan.
uit: NRC Handelsblad 20 mei 1999 (terug naar de rubriekenlijst)
40 huizen minder vanwege de das
In verband met drie bewoonde dassenburchten in het gebied Heiligerweg heeft de gemeente Margraten het bouwgebied voor 350 geplande woningen met een paar hectare moeten inkrimpen. De dichtstbijzijnde woningen zullen nu op ongeveer tachtig meter van de burcht gebouwd worden. Ook staan de eerste bouwwerkzaamheden gepland op een terrein, zo ver mogelijk van het onderkomen van de dassen vandaan. 40 Huizen zullen helemaal niet gebouwd worden. De stichting Das en Boom zet nog steeds vraagtekens bij dit project omdat ze de afstand van tachtig meter toch wel wat krap vindt, als je bedenkt dat een das op zijn minst een kilometer in de omtrek fourageert. Toch zijn er dassenburchten bekend die nog veel korter bij de bewoonde wereld liggen.
uit: De Limburger, 1 december 1999 (terug naar de rubriekenlijst)
gedicht
er lag een varken in m'n vijver
zwaar en zwart
gallig vol van naijver
het wroette en het vrat.
pas op met onze soort
sliste de salamandrijn
ieder het zijn en steek de moord
wrokte hard het zwijn.
Jos Buysen (terug naar de rubriekenlijst) (index andere gedichten)
Onderzoekers vonden een biologisch bestrijdingsmiddel tegen het gevreesde perenvuur. De perenvuurbacterie, Erwinia amylovora heeft een 'neefje', Erwinia herbicola, die onschadelijk blijkt te zijn voor planten, maar kan wel de groei van de perenvuurbacterie de kop in drukken.
De onschuldige bacterie neemt de plek van de perenvuurbacterie op de bloem in en produceert een eiwit dat de groei van de lastpost tegengaat, waardoor de ziekte zich niet kan verspreiden. De nieuwe methode, bedacht in Nieuw-Zeeland, staat beschreven in New Scientist van 11 september 1999. Het is niet gemakkelijk om de gewenste bacterie gericht op de bloemen te krijgen. In plaats van de bomen te bespuiten met dit biologisch middel besloot men om honingbijen te gebruiken voor de verspreiding. Men stopt een poeder waarin de bacterie zit verwerkt in de bijenkorf. De bijen lopen door het poeder en nemen dat mee naar buiten, wanneer zij de korf verlaten. Na zeven dagen is ruim 95% van de appel- en perenbloesem bestoven met de nuttige bacterie.
De grap is dat bijen worden gebruikt om levende organismen te verspreiden. Ze brengen slechts enkele bacteriën op de bloem waarna de bacterie zich snel vermenigvuldigt. Hierdoor gaat de verspreiding van de bacterie vanzelf door, dus ook als er geen poeder meer wordt aangebracht.
De ziekte komt vooral voor bij een extreem warm voorjaar en is zeer moeilijk te bestrijden. De fruitteler moet in het voorjaar iedere week controleren en meteen ingrijpen. Bij snoeien is ontsmetting van gereedschap van groot belang om de ziekte niet naar een andere boom over te brengen.
Infectie kan bestreden worden door chemische middelen gebaseerd op koper, maar die methode is giftig voor de plant zelf. Spuiten met het antibioticum streptomycine mag in Europese landen pas na toestemming van de overheid. Als de ziekteverwekker eenmaal in het weefsel zit is de boom ten dode opgeschreven.
uit: Het Belang van Limburg, 15 september 1999 (terug naar de rubriekenlijst)
uit de kruidentuin van Jos Lieben
Een vlierstruik naast het huis houdt boze geesten op een afstand zei mijn grootmoeder vroeger. Zij was niet de enige, die in de geheimzinnige krachten van de vlier geloofde. Veel boeren plantten in vroeger eeuwen een vlierstruik vlak bij huis en stallen, om daarmee ziekten van mens en dier te voorkomen. Zij hadden het gelijk aan hun kant. Want vlier houdt, door zijn eigenaardige geur alle vliegende insecten op een afstand, met name de gevreesde huisvlieg, die bekend staat als overbrenger van allerlei ziektekiemen. Daarom is het een goede raad aan alle tuinbezitters. Plant een vlierstruik dicht bij het huis. Zo zullen ook een paar takken van de vlierstruik in een vaas op tafel het vliegend ongedierte uit de buurt van etenswaren houden.
De vlierspruiten leveren in de vorm van een aftreksel een prima insectenwerend sproeimiddel. U kunt ook van de fraaie bloemschermen een heerlijke thee zetten. Bovendien is deze thee prima als men grieperig en koortsig is. De vlier heeft vele goede eigenschappen. Bijvoorbeeld in een huidlotion, of een oogwater dat goed is voor het gezichtsvermogen.
Jos Lieben-Wintgens, Maastricht (terug naar de rubriekenlijst)
recht van voorkoop in natuurgebied
Het Vlaams Gewest kan vanaf 24 augustus 1999 het recht van voorkoop uitoefenen om natuurgebieden te verwerven. De afbakeningen van de gebieden (de erkende reservaten) waar dit recht van voorkoop geldt zijn inmiddels in het staatsblad verschenen. Het natuurdecreet van 1997 bepaalt dat het Vlaams Gewest voor de uitbouw van natuurgebieden het recht van voorkoop kan uitoefenen.
Dit RVV houdt in dat de Vlaamse landmaatschappij (VLM) in bepaalde gebieden te koop aangeboden gronden (en gebouwen) kan kopen in de plaats van de hoogste bieder. Met andere woorden de notaris moet de VLM de gelegenheid geven het voorkooprecht uit te oefenen.
Het RVV geldt ook voor de terreinverwervende natuurverenigingen maar dan alleen voor deze terreinen die ze in huur of in erfpacht hebben, en die in groengebied en bos gelegen zijn.
Het RVV geldt eveneens in de gebieden waar Natuurontwikkelingsprojecten worden uitgevoerd en zal gelden in de gebieden afgebakend in het VEN (Vlaams Economisch Netwerk) en IVON (Integraal Verweving en Ondersteunend Netwerk).
Het RVV is dus een middel om vanaf nu meer waardevolle natuur veilig te stellen. Toch zijn er enkele belangrijke beperkingen waarmee men rekening moet houden: Het RVV kan alleen worden uitgevoerd in de groene gewestplanbestemmingen, gelegen binnen de perimeter van een erkend reservaat.
Onder de groene gewestplan-bestemmingen vallen de R (reservaat), N (natuur), P (park) en T (buffer) -gebieden alsook de Bosgebieden. Valleigebieden en Ecologisch waardevol Agrarische gebieden worden niet beschouwd als groengebied
Men gaat er vanuit dat op verpachte gronden het RVV van de landbouwer boven dit van het Vlaams Gewest gaat (een federale wet staat hoger dan een Vlaams Decreet)
Ook voor eigendommen van de Federale Overheid en voor verkopen tussen familieleden en tussen van leden van bosgroeperingen kan er geen RVV door het Vlaams Gewest worden uitgeoefend. Verder is het goed om weten dat men van het RVV niet zal gebruik maken indien de prijs zich boven de maximale schattingsprijs bevindt. (terug naar de rubriekenlijst)
Vanaf de aankoop van Altenbroek door Natuurreservaten gold het als grootste aangekochte gebied ooit. Met die eer is nu een nieuw natuurgebied gaan strijken. Natuurreservaten vzw kocht op 22 oktober 1999 160 ha van het Smeetshofgebied in Bocholt aan. Voor de aankoop kon Natuurreservaten vzw ook nu weer rekenen op de steun van de Nederlandse Vereniging Natuurmonumenten, het Vlaamse Gewest en de gemeente Bocholt.
Op 9 november heeft de Vlaamse Landmaatschappij de gebouwen van het Smeetshof aangekocht. De rest van het gebied, 19 hectaren, is in handen van de gemeente Bocholt. Een natuurinrichtingsproject zal het hele gebied van het Smeetshof omtoveren tot natuurgebied.
Geschiedenis
Het Smeetshof in Bocholt is een gebied van zowat 187 ha met een turbulente geschiedenis. Ruim 182 ha van het Smeetshof zijn op het gewestplan als natuurgebied ingekleurd; de overige 4,5 ha als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het domein staat bij de Europese Unie ook aangestipt als vogelrichtlijngebied.
In de jaren tachtig werd het gebied aangekocht en omgevormd tot landbouwgebied. Dat heeft de natuurrijkdom sterk aangetast en de drastische omvorming lokte heel wat protesten en conflicten uit.
Het Smeetshof ligt volledig in de gemeente Bocholt, vlak tegen de grens met Nederland. Aan de kleinschaligheid van het Smeetshof kwam abrupt een einde bij deverkoop in 1974. In snel tempo veranderde het gebied in een grootschalig, geëgaliseerd en gedraineerd landbouwdomein. In 1984 bleven er van de oorspronkelijke 56 hectaren bos nog nauwelijks 10 ha over. In totaal 8 kilometer brede houtkanten moesten eraan geloven en bijna 13 kilometer bomenrijen verdwenen.
Fel protest vanwege lokale natuur- en milieuverenigingen oogstte uitgebreide media-aandacht, maar het resultaat was pover. Het merendeel van de overtredingen werd geregulariseerd. Zo kreeg het Smeetshof zijn huidige uitzicht: Een voor het publiek afgesloten landgoed, beheerd als intensief landbouwgebied en privejachtdomein met uitgestrekte, zwaarbemeste maisakkers en hier en daar een zieltogende bomenrij of houtkant naast kaarsrechte afwateringsgrachten. De aankoop van het Smeetshof door Natuurreservaten vzw en de uitvoering van het natuurinrichtingsproject kan de bestaande papieren bescherming als natuurgebied en vogelrichtlijngebied eindelijk in praktijk omzetten.
Natuurinrichting
Met het nieuwe overheidsinstrument Natuurinrichting willen de afdeling Natuur van Aminal en de Vlaamse Landmaatschappij het gebied zo gaan inrichten dat de natuur er weer alle kansen krijgt om zich te herstellen. De feitelijke toestand, zoals bebouwing, wegen, grondgebruik en waterhuishouding, verstoort of bedreigt de leefwereld van planten en dieren.
Het natuurinrichtingsproject zit in de beginfase en de Vlaamse regering heeft er officieel haar goedkeuring voor gegeven. De volgende stap, het projectrapport, bevat maatregelen om planten en dieren weer meer kansen te bieden in het Smeetshof. De uitvoering van de natuurinrichtingswerken is voorzien voor 2001.
Het Smeetshof zal evolueren naar een halfopen tot open landschap met hier en daar dichte bosjes. Op de natste stukken komen er weer moeras, rietland en eIzenbroekbos. Zo houdt natuurinrichting rekening met de vogelsoorten die het Smeetshof op de lijst van vogelrichtlijngebieden deden belanden: moeras- en rietland voor de roerdomp, de bruine kiekendief, de blauwborst en het woudaapje, schrale heideterreinen voor de nachtzwaluw en de boomleeuwerik, ruigtes, houtkanten en graslanden vol bloemen voor de grauwe klauwier, dood hout voor de zwarte specht en helder visrijk water voor de ijsvogel.
Op drogere grond zullen zich spontaan bossen ontwikkelen met o.a. eiken en berken. Er zal een afwisseling te zien zijn van drassige en droge graslanden, ruigere stukken, heide, houtwallen en hier en daar waterplassen.
(terug naar de rubriekenlijst)
virusziekte bij wilde konijnen
In opdracht van het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer is een onderzoek gestart naar een virusziekte bij wilde konijnen, meer bepaald de ziekte Viraal Hemorragisch Syndroom of VHS.
VHS is een uiterst besmettelijke ziekte die plotse en massale sterfte kan veroorzaken bij zowel tamme als wilde konijnen. De wilde konijnen blijken hierbij als reservoir van het virus te fungeren.
De ziekte is in zowat heel Vlaanderen gesignaleerd, maar is slecht gedocumenteerd. Daarom is dit onderzoek opgestart. Het is de bedoeling aan de hand van een steekproef enige klaarheid in de situatie te brengen. Op basis van de bevindingen kunnen desgevallend aanbevelingen worden gedaan voor verder onderzoek en/of maatregelen. Het onderzoek is begonnen op 1 juli 1999 en loopt nog tot 30 juni van volgend jaar.
Er wordt gestreefd naar een zo ruim mogelijke staalname van de Vlaamse populatie wilde konijnen. Voor de staalnames is uw medewerking noodzakelijk. Hoe gaat dit in zijn werk? Alleen wilde konijnen die pas dood zijn (geschoten, ter plaatse afgemaakt of dood gevonden), komen in aanmerking. Pas dode dieren worden gekenmerkt door lijkstijfheid, hebben geen ingevallen ogen, en vertonen geen groenverkleuring of maden.
De geschikte kadavers dienen onmiddellijk in hun geheel te worden gekoeld in een diepvriezer bij -20°C. De aldus verzamelde stalen kunt U aan het marternetwerk bezorgen voor transport naar het CODA, waar de nodige analyses zullen worden uitgevoerd. De adressen van het marternetwerk kunt u bij CODA opvragen.
VHS is niet besmettelijk voor de mens. U moet dus behalve de normale hygiënische voorzorgen geen bijzondere maatregelen nemen bij de staalname of het transport van de stalen.
Bijkomende inlichtingen, indien gewenst, kunt U steeds bekomen bij Dr. D. Vandekerchove (bij afwezig heid: Dr. D. de Graaf) (CODA) op het nummer 02/3754455, of bij Ir. K. Van Den Berge (IBW) op het nummer 054/437112.
CODA: Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie. Groeselenberg 99 - B 1180 Brussel.
(terug naar de rubriekenlijst)
Kaneel blijkt een van de sterkste wapens tegen de bacterie E.coli 0157, een boosdoener die vooral in rauw vlees voorkomt. Na koken en pasteurisatie is kaneel de beste manier om deze bacteriën te doden, menen Amerikaanse onderzoekers aan de Universiteit van Kansas.
Zij vermoeden zelfs dat kaneel ook tegen andere bacteriën zoals salmonella zou kunnen werken. Bij een onderzoek met ongepasteuriseerd appelsap bleek dat het toevoegen van een theelepel kaneel voldoende was om 99,5% van de bacteriën binnen drie dagen te doden.
Ook kruidnagel en knoflook hebben volgens de onderzoekers dergelijke eigenschappen. De bacterie E.coli 0157 veroorzaakte drie jaar geleden nog een ernstige voedselvergiftiging in Groot-Brittannië, waarbij 18 mensen overleden na het eten van bedorven vlees uit een slagerij.
Bron: The Independent (terug naar de rubriekenlijst)
Het aantal muskusherten in Azië en Rusland neemt sterk af door de grote vraag van consumenten naar muskus voor geneesmiddelen en parfums. Dat blijkt uit een onderzoek van Traffic, het onderzoeksbureau van het internationale Wereld Natuur Fonds (WWF) en de World Conservation Union (IUCN).
Muskus is een van de duurste natuurproducten. De verkoopprijs van deze stof ligt drie tot vijf keer hoger dan goud. Hoewel er ook synthetische muskus bestaat, is de natuurlijke favoriet.
Het mannelijke muskushert scheidt de stof ter afbakening van zijn territorium af uit klieren bij zijn geslachtsorgaan. Het is mogelijk muskus te winnen uit levende dieren, maar veelal wordt het hert, dat in dertien Aziatische landen voor komt, eerst gedood. Het WNF is van mening dat consumenten hun invloed moeten aanwenden om het aanbod van alternatieve stoffen te laten toenemen.
uit Marketing Results nr. 13 - 1999 (terug naar de rubriekenlijst)
Het tij is door het 'terug naar de natuur-beleid' gekeerd ten gunste van de malariamug. Fosfaten zijn uit de wasmiddelen gehaald, bestrijdingsmiddelen zijn verboden en het water is properder als ooit tevoren door de rioolwaterzuivering. Deze maatregelen zijn volgens onderzoekers een winst voor mens en milieu, maar ze betekenen ook een verbetering van het vestigingsklimaat van de malariamug.
Daarmee is de terugkeer van malaria niet een kwestie van òf, maar van wanneer. Het moderne waterbeheer verhoogt de kansen voor de malariamug alleen maar. Door dijken door te steken en moerasgebieden in woonwijken te laten oprukken, is de komst van de malariamug onafwendbaar.
Pas in 1970 werd Nederlandland door de WHO, de wereldgezondheidsorganisatie, tot malaria-vrij gebied verklaard, nadat het laatste malariageval in 1958 in Koog aan de Zaan werd vastgesteld. Malaria behoorde tot voor kort in Nederland tot de inheemse ziekten.
Niet de tropische malaria, maar de malaria die in de gematigde streken kan voorkomen, namelijk de malaria tertiana. Deze veroorzaakt koortsaanvallen, met pieken om de 2 dagen. De overbrenger van de malariaparasiet is een mug die veel voorkwam in varkensstallen en op zolders van huizen.
In de zeventiende eeuw was Nederland het ongezondste stukje Europa vanwege de malaria die er heerste. Veel Nederlanders stierven een vroege dood door een prik van de malariamug.
De mildere, meer chronische vormen van malariaverschijnselen zullen we waarschijnlijk langer over het hoofd zien, en niet zo adequaat behandelen als de tropisch uitvoering. Bij niet-behandeling van de Europese vormen van malaria kunnen ernstige gevolgen (uitdroging) optreden.
De bestrijding van malaria is honderden jaren lang in Nederland gebruikelijk geweest. De malariamug is na de Tweede Wereldoorlog in Nederland uitgestorven: drooglegging van de natte gebieden, synthetische wasmiddelen in het oppervlaktewater, algenbloei en kroosvorming in sloten door kunstmest, mechanische verwijdering van planten uit sloten en de tenslotte de Vapona-strip.
Maar er is meer. Men verhoogt de grondwaterstand voor de vogels van de natte weide. We geven landbouwgebieden terug aan de 'natuur' en willen moerasgebieden terug. Eb en vloed kunnen hun krachtenspel in de Haringvliet en Biesbosch uitoefenen omdat de zeekeringen in Zeeland weer open gaan. En dan is er ook nog de malaria-import vanuit de gehele wereld door het toegenomen aantal reizigers naar en terug uit verre landen.
Bron: Dagblad De Limburger, 8 augustus 1998 (terug naar de rubriekenlijst)
Belgische wetenschappers onderzoeken de mogelijkheden om Afrikaanse buidelratten te trainen als goedkope mijnenruimers voor de arme landen. De antimijnenorganisatie APOPO werkt samen met de Universiteit van Antwerpen om te zien of ze de beestjes kunnen inzetten om mijnen te zoeken.
De Afrikaanse buidelrat, Cricetomys gambianus, is een veel voorkomend dier dat altijd met graafwerkzaamheden bezig is, gemakkelijk te trainen is en van taken houdt met veel herhalingen. Dit jaar worden proeven gehouden in het veld. De Belgische overheid steunt het project met 15 miljoen frank.
De ratten hebben veel voordelen. Ze hebben een goede neus voor explosieven en ze zijn klein, dus makkelijk te transporteren. Ook het trainen is stukken goedkoper dan bijvoorbeeld honden.
Voorts zijn ze resistent tegen de meest voorkomende ziektes in Afrika, waar ook miljoenen mijnen op hen liggen te wachten. Jaarlijks veroorzaken de landmijnen 25.000 mensenslachtoffers, waaronder veel doden.
uit: la Dernière Heure (terug naar de rubriekenlijst)
Onze Plantenwerkgroep komt tweewekelijks bijeen om planten, maar ook dieren en andere natuurverschijnselen te bestuderen. In de winter komen we wat minder frequent bijeen, namelijk op onderstaande data. Eenieder is welkom om deel te nemen aan één of meerdere van deze studies.
Doel is om samen de Voerense natuur beter te leren kennen. Daarvoor hoeft u geen kennis mee te nemen, noch geschikt studiemateriaal. Mag natuurlijk wel, want soms is het handig verschillende handboeken te kunnen raadplegen. Trekt het je aan om de natuur eens op deze andere manier te bekijken, aarzel dan niet om met ons mee te gaan. De vertrektijd is telkens om 10.00 uur, en we zijn steeds rond 12.00 uur terug op de vertrekplaats. Het studieterrein ligt altijd op enkele minuten loopafstand.
LET OP: Er wordt GEEN WANDELING gemaakt. We gaan wel te voet, maar staan nog meer stil bij de dingen die we willen bestuderen of op naam brengen. Geschikte kleding en schoeisel is overigens wel aan te raden in deze periode van het jaar.
Indien u vragen heeft, kunt u contact op nemen met:
Maurice Heusèrr (tel. 04-2900431) of Jos Buysen (04/ 3810263). Als u een eigen object eens wilt onderzoeken, bijvoorbeeld een privébos, een begroeide oude muur of een verwilderde tuin, dan kunt u ook contact opnemen. Wij komen graag eens kijken.
Maurice Heusèrr (terug naar de rubriekenlijst)
masseer droog haar met yoghurt
Als u stug en droog haar heeft, kunt u yoghurt gebruiken als verzachtend middel. Dep uw haar na het wassen zo droog mogelijk. Masseer daarna dikke yoghurt door uw haar en laat dit tien minuten intrekken. Spoel het daarna met lauw water schoon.
uit: Gezondheidsnieuws (terug naar de rubriekenlijst)
terug in de Voerstreek: Wijnbouw
Het moet lange tijd geleden zijn dat in de Voerstreek wijndruiven verbouwd werden. De officiële geschiedschrijving maakt er, zover bekend, geen enkele melding van. Jaak Nijssen verwijst naar een dialectonderzoek waarin vermeld wordt dat in de volksmond twee lokaties duiden op wijnbouw in vroeger tijden. Te weten: Aan de Wijngaardsberg (Wiegersberg dial.) met "Aan de wijngaertshage" ten zuiden van Kattenrot en "A gene Winberg" (Wijnberg) te Teuven.
Het verbouwen van wijndruiven in deze contreien was enkele eeuwen geleden geen unicum. Vele wijngaarden op mergelrijke gronden voorzagen de plaatselijke bevolking van het edele vocht. Het schijnt dat met de komst van Napoleon een eind kwam aan deze cultuur, daar hij enkel de Franse wijnbouw het monopolie gunde. Bij dwingend gebod werden vele wijngaarden gesloopt. Sindsdien is van deze wijngaarden niets meer terug te vinden.
De laatste decennia is de belangstelling voor het verbouwen van wijndruiven weer toegenomen. Op vele plekken, zowel in België als in Nederland, wordt momenteel wijn verbouwd. In België is Haaglanden een bekend wijngebied waar zelfs een appelation werd ontwikkeld. Dit is een eisenpakket waaraan de wijn uit die streek moet voldoen, wil er bepaalde kwaliteitsgarantie afgegeven worden.
Verschillende druivenrassen
Ook in de Voerstreek wordt de oude traditie van het wijnmaken weer opgepakt. In het voorjaar van 1997 zijn in Nurop-Teuven de eerste wijnstokken aangeplant op een zuidhelling. Het is een bescheiden begin met een halve hectare waarop 5 verschillende rassen geplant zijn, te weten Auxerrois, Pinot Blanc, Gewürztraminer, Riesling en Müller-Thurgau. Het zijn wijnstokken die vooral in de noordelijke wijngebieden kunnen gedijen. Men moet immers rekening houden met strenge vorstperiodes in de winter, late vorst in het voorjaar, betrekkelijk koele zomers en als het tegenzit, ook nog een najaar met veel regen. Dit klimaat legt zo zijn beperkingen op aan de soorten die men kan planten.
De samenstelling van de bodem is ook zeer bepalend voor de kwaliteit en ook de smaak van de druif. Een vochtdoorlatende kalkrijke grond, liefst gelegen op een zuidhelling, is in veel gevallen een vereiste. ls er een evenwichtige balans van diverse mineralen, dan worden daarmee veel gebreksziekten voorkomen.
Een wijngaard vraagt veel aandacht. Naast het snoeien, bladverwijderen en krenten (deel van de bloesem na de bloei verwijderen om zo dikkere vruchten te krijgen) moet er ook nauwlettend op worden toegezien dat er geen meeldauw of andere ziektes in de gewassen komen. Daarnaast vraagt de bodem ook een regelmatig onderhoud.
Maar het is een wonder als aan het eind van de zomer de druiven rijpen en zoet van smaak worden. Met een speciale meter wordt dan regelmatig gepeild, hoeveel suiker er in de druiven zit. Het suikergehalte is van belang want suiker wordt later, tijdens de gisting, omgezet in alcohol.
De eerste oogst is afgelopen najaar binnengehaald. Na een prachtige zomer mogen we met voldoening vaststellen dat de jonge wijnen van de diverse soorten druiven inmiddels op het vat staan te rijpen. Aan het eind van de zomer in het eerste jaar van de nieuwe eeuw ligt het in de bedoeling dat de hele streek, bij de officiële opening, de wijn kan komen proeven tijdens het eerste Teuvense Wijnfeest. U zult hier tegen die tijd beslist meer van horen.
Tot voor kort heette de wijngaard "Côte de Nurop". Deze naam is niet meer van toepassing daar er inmiddels een nieuw stuk land aan de Crindael is bijgekocht, waar in het voorjaar van 2000 nieuwe wijnstokken aangeplant worden. Voortaan heet het bedrijf DE WIEGERSHOF (dialect voor wijngaardshof), hetgeen verwijst naar de wijnbouw in vroeger tijden in de Voerstreek.
Na de officiële opening in september 2000 ligt het in de bedoeling dat mensen, die geïnteresseerd zijn in het maken en proeven van wijn van eigen bodem, in groepsverband de wijnkelders op afspraak kunnen bezoeken.
Piet Akkermans.
De Wiegershof
Planckstraat 6
3793 Teuven-Voeren
tel: 04/3812438 (terug
naar de rubriekenlijst)
De laatste veranderingen zijn
aangebracht op 16 april 2001
© MilieuGroep Voeren, Jos Buysen, Voeren. 1998-2001
Bedankt voor uw belangstelling. Tot ziens!